Tags

, , , , , ,

Mijn twee weken vol nostalgie. Mijn Olympische steden serie. En dat terwijl ik twee weken geleden dacht om eens lekker te schrijven over sport in het algemeen en de Olympische Spelen in het bijzonder. Het loopt anders. Zo gaat dat als je schrijft zonder echte planning of schema’s vooraf. Vandaag een herinnering uit 1977. In Athene.

Een primeur. Voor het eerst met een vliegtuig op vakantie. Sobelair vanuit Zaventem. Drie weken met de rugzak, een tentje, samen rond zwervend met vriend Werner. We beginnen onze vakantie in Athene en na een paar dagen reizen we door met een lokale bus naar Rafina. Via Marathon – om nog even een link te hebben met de Olympische Spelen. Later nemen we de boot naar Kreta en belanden ook nog op Santorini en Mykonos. We slapen meestal op het strand. Soms boven op een dak of in een park. Dat zeulen met een tentje is eens maar nooit weer. We eten voor het eerst souvlaki, bifteki en dolmadakia. We drinken ouzo, retsina  en in Georgioupoli proeven we iets ‘raars’. Klaargemaakt door onze Duitse hippie-buren op het strand. Deze schoonheid voegde knoflook, peper, zout en snippers komkommer toe aan haar yoghurt. He? Yoghurt eet je toch met suiker of honing? Ik proefde. Ik proefde nogmaals. Best wel lekker met een stukje brood. Werner bleef zijn twijfels houden.

Nu – anno 2016 – weet natuurlijk iedereen dat ik het over tzaziki heb. Toen een volslagen onbekend gerecht in Vlaanderen. De wereld was toen nog veel groter. Griekse gerechten waren totaal onbekend. In mijn jonge jaren aten we alleen seizoens-gebonden groenten. Enzovoort.

“Waar blijft die tandarts van de titel?” Goed terug naar Griekenland 1977. Op Naxos zitten we bij een strandtentje en doe ik me tegoed aan alle lekkernijen op kleine bordjes. Ook een soort koude spinazie met knoflook. Ik neem een flinke hap en … ‘knak’ … ik bijt op een kleine zwarte olijf die per ongeluk in de spinazie zit. AUW. Godskolere …. auw auw auw. Ik voel dat er een flink stuk tand afbreekt. Pijnscheuten als pijltjes-met-mes-scherpe punten ergens in mijn achterhoofd en nek. Ik kruip in mijn slaapzak. Ik neem een aspirientje. We hadden gelukkig al een kaartje voor de boot de volgende ochtend naar Athene.

Na aankomst in Piraeus gaan we op zoek naar een tandarts vlak bij een hotelletje waar we een kamer reserveren. Vanaf nu herinner ik me alles in zwart wit. We lopen een donker trappenhuis in en lopen naar de tweede of derde verdieping – aan de achterzijde. Daar is het ‘kabinet’ van een tandarts. We gaan binnen. Een bureau met een assistente en een paar houten stoelen. De wachtkamer. Ik ben gauw aan de beurt. De tandarts begroet me. Eerst in het Grieks en dan in nauwelijks verstaanbaar Engels.

οδοντίατρος

οδοντίατρος

Ik mag meegaan. Werner blijft achter. Enkel een glazen wandje – mat glas – is de afscheiding tussen ‘praktijk’ en ‘wachtruimte’. Hij vraagt wat er aan de hand is. Hij draagt een witte doktersjas en een brandende sigaar tussen zijn lippen. Ik ga in de stoel zitten. Hij kijkt en stopt wat instrumenten in mijn mond. Het zweet – angstzweet – loopt over mijn rug. Ik ben drijfnat. Hij zegt voor het eerst: “Don’t be afraid sir.” Hij zal het nog vaker herhalen. Hij zet een klem tussen boven- en onderkant van mijn gebit.

Don't be afraid sir

Don’t be afraid sir

Ik kan niets zien. Wel voelen. En fantaseren. Hij zet een tang op mijn afgebroken tand en begint te wringen en te wrikken. Ik kreun en kerm. Ik grijp me vast aan de armleuningen. Hij herhaalt zijn favoriete zin: “Don’t be afraid sir”. Door mijn oogleden vol tranen zie ik de as van zijn sigaar op mijn korte broek vallen. In mijn kruis om precies zijn. Een paar minuten later is hij klaar. De tand getrokken. Zonder enige verdoving. Mijn mond vol bloed. Ik spoel en spuug alles uit in een witte, emaille kom. Hij propt watjes in mijn mond. Ik sta op. Licht wankelend. Hij gaat me voor naar zijn assistente en schrijft een briefje voor de apotheker op de benedenverdieping. Het zijn twee witte pilletjes. Tabletten. Pijnstillers. Ik moet onmiddellijk naar bed gaan. Proberen te slapen. De apotheker herhaalt de woorden van de tandarts. Eerst een half pilletje nemen met water en dan proberen te slapen. Als je wakker wordt en je hebt nog pijn – neem dan het tweede halve tabletje. Het is eind van de middag. Van Werner begrijp ik dat hij even hard heeft gezweet dan ik. Hij hoorde mij namelijk kreunen en kermen en steeds maar die woorden … “Don’t be afraid sir”.

En zo gauw mogelijk naar bed

En zo gauw mogelijk naar bed

Ik ga onder zeil met een half pilletje en barstende koppijn. Ik word veertien uur later wakker. Ik slaap NOOIT diep en lang. En al zeker niet aan één stuk. Ik heb nog nooit zolang geslapen. Dat pilletje kon zelfs een olifant omleggen. Ik had een zeurderig gevoel maar geen pijn meer. Een ongemakkelijke mond, een holte waar voorheen een tand zat. Alsof je net bent verhuisd en nog niet bent gewend aan je nieuwe omgeving. Ik besloot dat ik geen nieuwe dosis pijn-killer nodig had. Ik spoelde de overschot door de wc. En wonderlijk genoeg liep ik twee dagen later weer fluitend door Athene.

In de serie: Olympische Spelen (Steden)

Advertenties