Tags

, , , , , , , ,

Al meer dan twaalf jaar eindig ik mijn condoleance / deelnemings berichten met de woorden: “Blijf over hem / haar vertellen dan blijft hij / zij levend in onze verhalen en gedachten.” Dat doe ik ook vandaag. Twee jaar geleden overleed mijn moeder – Lutgart De Smedt. Lezen en schrijven waren haar grote passie. Wat is er een mooier eerbetoon dan een paar van haar teksten hier te publiceren?

Op 12 september 2000 (drie dagen eerder was ze 70 geworden) schreef ze een prozatekst en een gedicht over “Het huis waar ik ooit woonde”. Auteur: Lutgart De Smedt (1930 – 2015)

Mijn moeder, mijn oma en mijn opa (vroege voorjaar 1931)

Het huis waar ik ooit woonde (Deel 1)

Halfweg de hoofdstraat in Sint-Amands, een lieflijk dorpje aan de Scheldeboorden, stond mijn geboortehuis. Ook mijn vader woonde er vanaf zijn kinderjaren. Het huis staat er nog, maar het heeft de laatste veertig jaar, sedert mijn ouders het verkochten, zeer grondige veranderingen ondergaan.

Ik sluit mijn ogen en zie het huis zoals het vroeger was. Het was één van de ‘grote’ oude huizen in het dorp, gemetst uit rode baksteen en wit gevoegd. Drie arduinen stoeptreden leidden naar de deur in het midden van de voorgevel. Op ooghoogte was er een kijkraampje beveiligd door smeedwerk. De klink, de bel en brievenbusklep waren in koper en werden elke week glimmend gepoetst. Langs beide zijde van de deur waren twee hoge ramen en vijf soortgelijke op de verdieping. Het houtwerk was wit gelakt. Rechts hadden we aanpalende buren, maar links was er een smal steegje dat tussen de lange tuinmuren naar de beemden en de Scheldedijk leidde. In die muur was een poort die onze gebruikelijke ingang was en uitkwam op de binnenkoer.

Het huis had veel kamers. Twee vleugels met ieder vier achter elkaar gelegen plaatsen. Ertussen was de gang die uitkwam op de veranda, mijn geliefde plaats bij slecht weder, vooral als ik alleen moest spelen. Het was er zeer licht door al het glas en door de vele planten leek het een verlenging van de tuin. Er stond een ronde rotantafel met vier zeteltjes. Maar het was meestal op de stenen vloer dat ik uren doorbracht met mijn poppen, bikkels, knikkers, springtouw of tol. De trap naar de bovenverdieping was ook in de veranda, zodat die dikwijls betrokken werd bij één of ander spel.

Werd er toen weinig aandacht besteed aan heldere, zonnige kamers of had ik daar als kind geen erg in, ik weet het niet. Onbewust zocht ik het licht. Hoewel het er in de winter koud was, verkoos ik toch dáár te spelen, warm ingeduffeld met extra pull.

Tot zover voor vandaag. Morgen het tweede deel.

In de serie: KOEKJESTROMMEL

Advertenties