Tags

, , , , , , , , , , , , , , ,

Drie jaar van mijn leven heb ik op Terschelling doorgebracht. Daarvoor heb ik wel alle dagen / nachten bij elkaar moeten optellen. Ik heb er veel vaker over geschreven. Klik HIER. Terschelling is een deel van mijn jeugd en van de tien jaar dat we in Friesland woonden.

In de zomer kampeerden we jaarlijks twee maanden op Skylge, bij Tante Doortje op Hoorn. Later kochten mijn ouders een huisje op Formerum. Onze eerste vakantie en mijn kennismaking met Terschelling was in de paasvakantie van 1967.

Waddenzee – Foto Pixabay

Onze vakantieactiviteiten in de 60 en 70’er jaren waren uiteraard zonder televisie, zonder laptops, computerspelletjes, zonder internet. Laat staan mobiele telefoons, Facebook en WhatsApp. Wij verzonnen spelletjes, organiseerden fietstochten, liepen door het bos naar het strand. Speurtochten in de duinen, hutten bouwen, vliegeren, met de huifkar naar het Amelandergat, veel fietsen, wandeltochten van 10 of 20 kilometer. Op dinsdagavond naar de volksdansavond (achter De Groene Weide). En heel vaak naar de Waddenzee. Om te vissen, kokkels op te graven, mossels plukken, pieren steken en heel af en toe – bij vloed – gingen we in Lies zwemmen.

In dit stukje wil ik over vissen schrijven. Ik herinner me een vijftal manieren om vis op ons bordje te krijgen. Een wekelijkse activiteit. Soms zelfs een paar keer per week. Ik ben geen visser in de gewone zin van het woord. Op Terschelling waren we in die jaren eerder ‘stropers’. Ik denk dat veel van onze methodes uit de jaren 70 vandaag niet meer mogen.

Een takkenfuik. Een effectieve methode om een maaltje bij elkaar te vissen / krijgen.

Takkenfuik

We gebruikten een fuik van de vader (of de oom) van Hessel. Ja, de zingende barman van cafe De Groene Weide. Wij zijn leeftijdgenoten. We raadpleegden een lokaal krantje om de juiste eb- en vloedtijden te kennen. Dat was belangrijk want we moesten tweemaal – bij laag water – naar de fuik. Ik geef een voorbeeld. Het is vloed om 12u dan weet je dat het ’s morgens om 6 uur laag water is en ’s middags om 18u. Goed. In de vroege ochtend fietsten we – met de schoongemaakte fuik achter op de bagagedrager – naar de waddendijk. We ploften onze fietsen ergens neer. We staken de dijk over en we begonnen aan onze wandeling richting takkenbossen zoals op de foto hierboven. Een tiental minuten uit de kust. In het uiteinde van de V bevestigden we de fuik. Het was vooral veel knoopwerk aan de verschillende paaltjes / takken.

Takkenfuik op het wad

Als er veel zeewier tussen de takken zat, probeerden we dat zoveel mogelijk te verwijderen. We veronderstelden dat de vissen bij hoog water donkere plekken probeerden te mijden.  Ze zwommen wel in de V – de fuik in. What’s in a name? Als de fuik stond en vastgeknoopt was, liepen we terug naar onze fietsen. Twaalf uur later gingen we terug. Benieuwd naar de vangst – catch of the day. Meestal was de vangst iets tussen tien en twintig platvissen. Bot, schar, schol. Dit ritueel herhaalden we twee of drie getijden na elkaar. Dan was er genoeg gevangen. En waren de tijden van eb en vloed ongunstiger.

Vaak gebruikten we een tweede methode die we combineerden met de fuik.

Een lange lijn met zestig haken. Nergens op internet vind ik iets over deze methode. Was onze methode uniek? Ik denk het niet. Waarschijnlijk is het vandaag de dag strikt illegaal om op deze manier te vissen. Daarom noemde ik  mezelf hierboven ook een ‘stroper’. Geen haan die ernaar kraaide in de 70’er jaren. Ik probeer het uit te leggen hoe dat in z’n werk gaat (ging).

Lijnvissen op het wad

De foto hierboven heb ik deels ingetekend. Bij eb zet je deze lange lijn uit. Een vijftiental paaltjes of stevige takken. Tussen alle paaltjes spanden we nylon visdraad. Alles bij elkaar zo’n honderd meter vistouw. Tussen twee paaltjes bevestigden we aan het hoofdtouw een stuk of vijf zijdraadjes – 15 cm – met een vishaakje aan het eind. Aan elke haak staken we een zeepier. Dat was dus ook zeepieren steken. Gewapend met een riek liepen we het wad op. En spitten maar. Een werkje van twintig à dertig minuten en dan was het blikje weer vol. Zestig zeepieren.

Zeepieren steken

De pier rijg je een paar centimeter achter de kop aan de haak. Ik was er gauw erg handig in.

Zeepier

Het laatste klusje was alle pieren ‘begraven’ onder een hoopje wadden-slijk. Waarom vraag je je waarschijnlijk af – als je nog niet bent afgehaakt want vijfenveertig jaar later is dit waarschijnlijk dierenleed. Omdat bij opkomend water eerst de krabben de lijn passeren. Als de wormen dan te zichtbaar zijn, is de helft al opgevreten voor er vissen langskomen.

Goed … begrijp je het systeem? De vloed komt, vissen zwemmen langs en … hap. Beet. Ik denk dat we gemiddeld tien vissen scoorden op zestig haken. Het grootste werk was achteraf het verwijderen van het zeewier dat vast bleef hangen aan de lange lijn.

Twee effectieve methodes die ik (wij) heel wat zomers na elkaar heb gebruikt. Ik denk dat we dat drie of viermaal per vakantie ondernamen. Telkens twee of drie dagen na elkaar. Ook tijdens de eerste vakantiekampen met De Kring – uit Boechout – hebben we deze methode uitgeprobeerd. Met succes.

Morgen vertel ik over andere vis-herinneringen op Terschelling.

Advertenties