Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Opnieuw drie herinneringen aan mijn jeugd.

G. GROENTEN

Welk kind heeft niet – van tijd tot tijd – ruziegemaakt met z’n (haar) ouders over het eten van ‘groenten’. Eigenlijk herinner ik me enkel de strijd om ‘witloof’. Ik schrijf het opzettelijk met twee o’s. Witloof en niet ‘witlof’. Uiteraard is dit dezelfde groente. In Vlaanderen schrijven we dat met twee o’s. In Nederland werd het lang ‘Brussels lof’ genoemd en nu is witlof de algemeen aanvaarde naam. Mijn moeder maakte witloof op drie verschillende manieren klaar. Rauw – in kleine stukjes gesneden. Mijn vader was er verzot op. Met mayonaise (uiteraard) en soms met een koud hard gekookt eitje. Deze variant mochten wij overslaan. Dan aten wij veldsla. Ook met mayonaise en een eitje. Witloof gestoofd in boter. De meest bittere variant. Grrrr. Met lange tanden … en ruzie … enzovoort. Witloof met hesp en kaassaus (uit de oven) was eetbaar. Zeker met veel extra kaassaus. En mijn moeder was zo aardig om een paar rolletjes witloof te vervangen door prei. De schat.

Verse groenten (foto: Pixabay)

Verder was ik een goede groente-eter met rode kool als favoriet. Gevolgd door pekes en erwtjes – gestoofd met een ajuintje. Opnieuw kies ik voor de Vlaamse schrijfwijze. Omdat we in die tijd veel meer seizoensgebonden groenten aten, kwamen de snijbonen na een tijdje mijn neus uit. Teveel dagen hetzelfde. En er werd wat afgeweckt in die tijd – dat is een understatement. Schorsenelen (schorseneren) en asperges hoorden (toen) ook niet tot mijn favoriete groeten.

En hoe anders is dat nu. Ik ben dol op witlof en asperges. Zou het kunnen dat de telers een minder bittere variant hebben ontwikkeld? Van broccoli, aubergine, courgette, kousenband of Chinese kool hadden we nog nooit gehoord.

H. HUGO MATTHYSEN

Middelbare school in Antwerpen. Afdeling ‘Mens Wetenschappen’. In mijn jeugd waren er bijna geen gemengde scholen in het katholiek onderwijs in Vlaanderen. Jongens en meisjes gingen naar verschillende scholen. Een aantal staatsscholen waren wel gemengd. In het vijfde en zesde middelbaar zat ik in de klas met één van de laatst overgebleven ‘internen’ van PIUS X. Den Hugo. Hij was ‘intern’, dat betekent dat hij door de week op school bleef slapen en dus een kamer had op school. Heel wat vrije lesuren hingen we dan ook stiekem rond in zijn kamer. We werden goede vrienden. Hij speelde gitaar en schreef grappige liedjes en toneelstukjes (Johny Wol). Snel na mijn achttiende verjaardag had ik een auto en begonnen we in het weekend uit te gaan. Hugo woonde destijds in Ekeren Kappelen maar trok meestal met ons op. Met ons bedoel ik: Peter (uit Hove) en ik (uit Boechout). Ik was vaak de chauffeur van dienst. Met plezier overigens. De meeste Vlaamse lezers weten vast wie ‘Hugo Matthysen’ is. Compagnon van Bart Peeters of ze kennen hem van zijn stukjes in Humo of als scenarioschrijver van Dag Sinterklaas, Kulderzipken, Het Leugenpaleis, enzovoort. Moet ik ook nog ‘Clement Peerens’ vermelden? De link met Bart Peeters is nu gauw gelegd want den Bart zat ook op onze middelbare school en woonde ook in Boechout. Kun je nog volgen? Een kleine wereld … De vriendschap met Hugo (en Bart) is verwaterd door de grote afstand. Ik verhuisde algauw naar Friesland, hij studeerde in Leuven en verhuisde later naar Hove. Ik kwam maar een keer of drie vier per jaar naar Vlaanderen en hij was druk met z’n carrière. Soms horen we iets van elkaar via anderen. En mocht den Hugo dit lezen. “Groetjes en laten we weer eens iets afspreken … en altijd welkom in Ossendrecht of in Mozambique.”

I. Indianen

Mijn moeder was een grote lezer. Mijn vader moedigde ook ons aan om boeken te lezen. Strips werden oogluikend toegestaan maar als leraar Nederlands had hij zijn bedenkingen. Wij leerden de Indianen kennen via boeken en films. Ik las alle verhalen van Karl May. Ik hield veel meer van Winnetou – het opperhoofd van de Apachen – dan van Old Shatterhand. Ook de Arendsoog-boeken werden verslonden. Via de televisie leerden we Ottorongo (Johan en de Alverman) en Klukkluk (Pipo de Clown) kennen. We verkleedden ons vaak als indiaan – met oorlogsstrepen – en we waren uren bezig om goede bogen te maken. En heel veel pijlen en een zelfgemaakte pijlenkoker. We galoppeerden op denkbeeldige paarden die we vastbonden aan heel wat denkbeeldige bomen op Texel en Terschelling.

Indianen op Texel

Mijn grootvader – Bompa Schyvens – maakte één grote reis in zijn leven. Naar Italië – ik denk naar Venetië. Geen onverdeeld succes. Sinds die ene reis sprak hij het woord ‘Italianen’ nooit meer uit. Hij gebruikte daarvoor het woord ‘Indianen’.

In de serie: MIJN JEUGD ABC #TAG