Tags

, , , , , , , , , , , , , , , ,

Overdrijven is ook een vak. Dat bewijst de titel van dit stukje. Ik hou van sport maar de eerlijkheid gebied om te zeggen dat ik hou van sport kijken en over sport lezen. Natuurlijk heb ik een paar maal actief sport beoefend maar het zal hooguit een kort hoofdstuk worden in mijn niet bestaande memoires. Mogelijk enkel een voetnoot.

Zoals elk kind en jongere die naar school gaat krijg je lichamelijke opvoeding. Ik dus ook. Turnen of gymnastiek. Verschillende woorden voor hetzelfde. Ik vond als kind de turnles op school een uurtje om te overleven en om te proberen niet te hard op te vallen. Laat ik zeggen dat ik meestal een 6 scoorde. Op mijn rapport kreeg ik meestal een 7. Ik deed mee maar blonk nergens in uit. Ik beheerste de basisoefeningen maar aan het sportraam hangen en dan je benen horizontaal heffen. Zucht. Buikspieroefeningen. Ja, ik deed het tienmaal als dat moest maar dat is dan ook alles wat er over te zeggen is. Ik was van gemiddelde lengte dus ik stond altijd halverwege de lange rij (jongens) om over de bok of de plint te springen. Het ging, soms met een beetje hulp van de meester.

Koen in het tweede leerjaar bij meester Marcel Jansen (*)

De zwemles in het Astridbad in de Nerviërstraat in Antwerpen was van hetzelfde laken een pak. Ik deed alles – zonder protest – mee maar was geen hoogvlieger cq hard-zwemmer. Ik herinner me vooral de enorme chloorgeur en de galmende gangen. En de naar pis stinkende kleedhokjes. Later heb ik op vrijwillige basis mijn reddings-brevet gehaald. Ik heb zelfs een keer meegedaan aan provinciale schoolkampioenschappen zwemmen provincie Antwerpen. Een verhaal voor een andere keer.

Op de middelbare school begonnen de gymnastieklessen dikwijls met lopen. Rennen dus. Geen wedstrijd – toch niet officieel – maar het hardlopen volhouden zonder te wandelen. Op Sint-Gabriël was dat een rondje op de piste van Sgola, daarna een rondje door het park – langs de sfinksbeelden – langs het latere Sfinks-café – terug naar de piste en nog een extra laatste rondje. Ik schat de totale afstand op 1000 tot 1200 meter. Ik eindigde steeds in de tweede groep van de middenmoot.

Later op Pius X (op ’t Kiel in Antwerpen) maakten we kennis met meerdere sporten. Handbal, basketbal, volleybal, badminton, zaalvoetbal en mijn favoriet: honkbal of de softbal-variant. Veel leuker dan het saaie turnen. Onze gymleraar gaf ons ook yoga – zeer vooruitstrevend voor de zeventiger jaren. Ik vond het een verademing.

Als kind (en tiener) heb ik op twee sportclubs (verenigingen) gezeten. Op atletiek en op turnen. Dat laatste zal je vast verbazen gelet op wat ik hierboven schreef. Ik snap het met terugwerkende kracht ook nauwelijks. We mochten van mijn vader (ouders) niet op voetbal want dat is een ploegsport. Omdat we een chalet in Eksel (Vlaams Limburg) hadden waren we de meeste weekends daar te vinden. De redenering van mijn vader was: als je je engageert voor een teamsport dan moet je er ook zijn op de wedstrijddagen. En dat kon ik dus niet garanderen. Vandaar GEEN voetbal, WEL atletiek. Deze sport is veel individueler. De beperkte club-meetings werden ruim van te voren ingepland. Dat kon wel. Ik specialiseerde me – dat is wel een erg groot woord – in de korte loopnummers. 100, 200 en 400 meter. 60 of 100 meter horden en verspringen. Op clubkampioenschappen heb ik tweemaal de hele tienkamp meegedaan. 100 meter lopen, verspringen, kogelstoten, hoogspringen, 400 meter lopen, 110 meter horden, discuswerpen, polsstokhoogspringen, speerwerpen en de 1500 meter. Alleen met polsstokspringen haalde ik beide keren 0 punten. Ik eindigde steevast bij de laatste vijf. Eigenlijk was het een tweekamp met mijn beste vriend en buurjongen Marc. Dat was een wedstrijd in een wedstrijd – die hij meestal nipt won. Zijn broer Pierre haalde afwisselend goud, zilver of brons dankzij hoge scores bij hoogspringen. In onze atletiekclub (SGOLA) hadden we twee olympische atleten. Paul Thys en Marc Smet. Onze ‘helden’ waren ook deels onze trainers.

Nog even over mijn turnavontuur. Er woonden altijd een aantal jongens bij ons in huis. Een tijdje was dat Rudy uit Wommelgem. Zijn vader was reder en vaak van huis. Zijn zoon woonde in de week bij ons en ging in het weekend naar huis. Op dinsdagavond ging hij nog steeds op de fiets vanuit Boechout naar zijn turnkring in Wommelgem. Op ’t Laar – in de buurt van Fort 2. Algauw vonden de vaders dat ik hem moest vergezellen. Dat deed ik. Vooral het fietsen naar – en het terugfietsen naar huis vond ik fijn. We maakten er op de Borsbeeksesteenweg fietswedstrijdjes van. Daarmee haalde ik een behoorlijk resultaat. In de turnzaal was ik van dezelfde middelmaat die ik eerder beschreef.

In een volgend stukje vertel ik meer over mijn sportief leven. Hahaha.

(*) Bij de foto. Waarom deze foto? Ik ging in mijn fotoboeken op zoek naar een sportende Koen. Niet te vinden als ik alle vakantie-kiekjes niet als sportief beschouw. Op bovenstaande foto zit ik op de eerste rij – de tweede van links. In mijn (ons) turnuniform. Een wit shirt met het Sint-Gabriël-logo (schildje) op de borst en een blauwe short. Zo liepen we ook mee in de jaarlijkse processie in het dorp. Uiteraard met witte sokjes en witte turnpantoffels (turnsloefen). Mijn vriend Marc G staat op de tweede rij in het midden. Een andere goede vriend en buurjongen (Dirk v T) zit ook op de eerste rij – de vierde van rechts.

Toevallig meelezende mensen uit Boechout … wie herken je nog meer?