Tags

, , , , , , , , , , , ,

Gelukkig is het geen ernstige afwijking maar ik onthoud (onthield) gemakkelijk data. Een verjaardag. Een sterfdag. Van dat soort zaken. Ik had de verjaardagskalender – die naar goed Nederlands gebruik ook in ons toilet hing – meestal niet nodig. Sinds ik lid ben van Facebook herinneren zij mij aan verjaardagen. Eigenlijk vind ik dat jammer want nu is mijn gave – ik overdrijf, dat begrijp je – niets meer waard.

Neem nu vandaag. Ik ben mogelijk de enige die zich herinnert dat mijn grootmoeder – mocht ze nog in leven zijn – vandaag verjaart. Ze zou in dat geval 124 geworden zijn. Een zinloze gedachte uiteraard. Maria Delafontaine. De moeder van mijn moeder. Mijn meter.

vlnr Nonkel Pater (Frans De Smedt), mijn vader (Frans Schyvens), een verpleegster, mijn oma (Maria Delafontaine) en mijn opa (Gerard De Smedt). En de boreling – drie dagen oud – ben ik.

Mijn oma werd geboren in Dentergem (West-Vlaanderen) op 15 januari 1897 en ze overleed op 4 juni 1987 in Mortsel (provincie Antwerpen). Ze werd 90 jaar – tot twee weken voor haar overlijden woonde ze zelfstandig in Boechout – recht tegenover mijn ouderlijk huis. Toen ze werd opgenomen in het ziekenhuis sprak ze de legendarische woorden: “Hier ligt de held geveld!” Wat ze het vervelends vond was dat ze nu voor het eerst in haar leven iemand ‘tot last’ was. Dát was absoluut niet haar ‘ding’ – om het populair te zeggen.

Ik was haar eerste kleinkind. Oma. Ik vertel nog heel vaak over haar – meestal in verband met eten. Ze heeft me niet leren koken in de zin van instructies geven maar ik keek hoe zij het deed en sloeg dat – onbewust – op in mijn geheugen. Stoofvlees. Kalfstong in madeirasaus. Asperges. Appelmoes. Rode kool. Fricandonneke. Vol au vent – die zij ‘koninginnenhapjes’ noemde. Tomatensoep. Pudding. Zwezerik. Bleekselderij en prei – altijd in een witte saus. Rabarber. De lijst is nog veel langer. Ik maak deze gerechten zeer regelmatig klaar en dan ruikt het in de keuken naar ‘Oma’. Isabel vindt al deze gerechten lekker – behalve de rode kool. “Veel de zoet!”

Mijn plechtige communie – mei 1968. Vlnr mijn grootvader en peter (Jules Schyvens), Koen met een plastron, mijn grootmoeder en meter (Maria Delafontaine) en rechts op de voorgrond haar oudste broer, Nonkel Gustaaf (Gustaaf Delafontaine)

Ik kan veel logjes vullen met verhalen over haar. Eentje vertel ik vandaag. Zij vertelde me dit verhaal toen ik zelf een jaar of 18 was. Een verhaal toen zij ongeveer dezelfde leeftijd had. Tijdens de Grote Oorlog (1914-1918). Zij woonde toen nog bij haar ouders in Dentergem. Haar vader was meubelmaker met een eigen zaak – gespecialiseerd in kerkmeubilair. Een familie met aanzien. Het jaartal weet ik niet precies. Laten we zeggen ergens op een mooie septemberdag 1915. Ze loopt met haar beste vriendin door het dorp – ik stel me haar flanerend voor – (dat vertelde ze me niet hoor). Ze passeren een braakliggend terrein, een verlaten appelboomgaard. Vervallen muurtjes eromheen. Ze klimmen over de muur en ze rapen en plukken een paar rijpe appels. En net als Eva uit de bijbel neemt ze een lekkere hap uit zo’n appel. Dat was buiten de veldwachter gerekend. Hij arresteerde de dames ter plekke wegens diefstal en huisvredebreuk. Betrapt op heterdaad door de champetter. Ze werden overgebracht naar het politiebureau. Stel je voor … midden in de oorlog, het front is nauwelijks vijftig kilometer verderop.

Natuurlijk werd haar vader ontboden op het politiebureau. Hij wilde de boete betalen maar zijn dochter – mijn oma dus – weigerde pertinent. Nee en nog eens nee. Ze was furieus. Dit is geen diefstal. Het hele dorp weet dat daar – bij die appelbomen – niemand woont. Het is van niemand. Iedereen klimt daar wel eens over de muur. Punt uit. Koppig als ze was besloot ze in de politiecel te blijven tot haar ‘schuld’ was afgelost. Zo gebeurde. Vader Delafontaine droop af zonder een boete te betalen. Zijn dochter kwam na een nachtje ‘op water brood’ weer thuis. Oma vertelde me dat een jarenlange, sluimerende vete tussen haar familie en de familie van de veldwachter een belangrijke rol speelde.

Je kunt je voorstellen dat ik als tiener met m’n oren stond te flapperen toen mijn grootmoeder vertelde dat ze ooit in de ‘gevangenis’ had gezeten. Ongelooflijk. De Grote Oorlog bracht ook verdriet. Haar lievelingsbroer – (nonkel) Rudolph – sneuvelde aan het front. Als ik in de Westhoek ben en de Last Post bij de Menenpoort hoor, gaan mijn gedachte automatisch uit naar mijn oma maar ook naar nonkel Rudolph. Een man die ik uiteraard nooit persoonlijk heb gekend.

Toen mijn grootmoeder overgrootmoeder werd, veranderde haar naam van ‘Oma’ naar ‘Oma Koekje’. Uitleg overbodig lijkt me. Er moest tenslotte onderscheid zijn tussen ‘Oma Rietje’ en ‘Oma Pino’ (meneer oma de mama).

Als ik dit logje nog eens herlees besef ik dat ik dit stukje ook op 2 november – Allerzielen – had kunnen schrijven want alle familieleden die ik opvoer zijn al lang gaan ‘hemelen’. Ik houd ze ‘levend‘ in mijn verhalen – zal ik maar zeggen.

In de serie: FAMILIE en KOEKJESTROMMEL