Tags

, , , , , , , , , , , , ,

Wie herkent het woord ‘ekfrasis’? Ik heb het vermoeden dat Max en Toos nu in zichzelf ja antwoorden. Ik weet niet of ik dat woord al eerder (bewust) heb gehoord of gelezen. Ik las het gisteren in de biografie van Pieter Bruegel de Oude van Leen Huet. In het eerste hoofdstuk vertelt zij hoe de ‘Dulle Griet’ (het schilderij) naar Antwerpen (België) kwam. Een mooie wetenswaardigheid. Natuurlijk kan een omschrijving van de ‘Dulle Griet’ niet achterwege blijven. Ze gebruikt daarvoor de tussentitel: EKFRASIS: EEN ROOF VOOR DE HEL.

Ekfrasis is met andere woorden een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van wat het oog ziet. Het is een literair genre dat in de klassieke oudheid veel werd beoefend wegens gebrek aan foto’s en beeldmateriaal. Tegenwoordig is de term BEELDGEDICHT in zwang. Dat is niet precies hetzelfde want in poëzie is de dichter uiteraard veel subjectiever in de beschrijving.

Leen Huet heeft waarschijnlijk urenlang met een vergrootglas alle details van het schilderij bekeken. Vervolgens pakt ze pen en papier (ik ken haar niet dus het kan ook een dictafoon of een laptop zijn geweest). Ze noteert wat ze ziet. Af en toe ontsnapt zij (men) niet aan enige interpretatie. Ik geef een paar voorbeelden. “Een muur deelt dit landschap over de breedte in tweeën. Het is de muur van de stad. Onze stad, blijkbaar, waar wij machteloze toeschouwers zijn. Links volgt de muur de kromming van een gebouw, dat de vorm heeft van een hoofd met gapende muil. Door die muil stroomt de rivier de stad uit, naar zee.” (pagina 25) “Een ketting met een glazen bol vormt de pompom van de stenen muts. In de bol zitten naakte mensen gevangen; er zijn minstens vijf hoofdjes te onderscheiden.” (pagina 26) Aan de voet van de boom kruipen meer monsters rond. Fascinerend is een kereltje dat bestaat uit één been, één arm en daartussen een ondersteboven hangend hoofd – een grillo. In zijn hand houdt hij een kom pap en met zijn mond, die tevens zijn anus is, houdt hij een lepel vast.” (pagina 26) “Op de rug van de kappende vis is met een riem een rond tafelblad bevestigd met een bewerkte metalen beker erop. Zijn rug biedt verder plaats aan een rat met een ei als lichaam en kikkerpoten. Vlakbij zwemt een grotere vis, van wie alleen de kop boven water komt. Hij heeft net iemand doorgeslikt. Uit de vissenbek steekt een geharnast been.” (pagina 30) Volgen jullie nog? Deze ekfrasis beslaat heel wat bladzijden. Tijd om het schilderij te tonen dan kunnen jullie zelf op zoek naar de hier beschreven details.

Dulle Griet – Pieter Bruegel de Oude (1525?-1569) – Museum Mayer van den Bergh (Antwerpen)

Het schilderij heeft de naam gekregen van de reusachtige vrouw met helm, harnas, grijze jurk en witte draagbuidel. Deze reuzin is minstens vijf keer zo groot dan de andere figuren op dit schilderij. Ze rent (onderaan) – links van het midden – langs de opengesperde muil van de hel. Achter haar lijkt het alsof heel wat vrouwen aan het plunderen zijn geslagen. Rechts onderaan komen mannelijke soldaten het schilderij binnen gemarcheerd. We zien ook allerlei bizarre monstergedrochten, vreemde creaturen en rare constructies. Veel details doen me denken aan schilderijen van Jeroen Bosch. De horizon lijkt in brand te staan.

De geleerden en kunsthistorici hebben geen eenduidige verklaring wat dit werk precies betekent. Is een aanklacht tegen oorlog? Is het een opgestoken vingertje tegen Antwerpen dat steeds meer in verval raakt? Is het een hilarische grap dat een kijvende vrouw – een helleveeg – die de mannen onder de duim houdt? Zien we zelfs de ‘Hel’ verschrikt staren naar dat vrouwspersoon? “Dat Mensch rooft zelfs vlak voor mijn poort!” hoor ik de Hel denken in een niet bestaand tekstballonnetje. Of is het een geschilderde ‘poster’ voor het toneelstuk En Griete die den roof haelt voor de helle dat de Mechelse toneelgroep (rederijkerskamer) De Lischbloeme opvoerde in de sinjorenstad?

Waarschijnlijk hoorde ik voor het eerst eind 60’er jaren over de Dulle Griet. Via de avonturen van Suske en Wiske.


Professor Barabas heeft in het museum Mayer van den Bergh – via een foto – De Dulle Griet uit het Bruegel-schilderij getransporteerd naar het nu. Bij ‘nu’ is het goed om te bedenken dat de Vietnamoorlog in volle gang was. Van Antwerpen ontsnapt de zestiende eeuwse feeks naar Bokrijk. Ze heeft het vooral gemunt op Schanulleke. Wat heeft ze trouwens in het kistje onder haar linkerarm? Ik ga het hier niet vertellen. Ga het maar opzoeken of zelf lezen / bekijken.

Het blijft een mooie bezigheid … het kijken naar schilderijen. Naar de details. Ik vind het fijn om er meer over te lezen of te horen want alle symboliek die verscholen gaat – in bijvoorbeeld de werken van Bruegel of Jeroen Bosch – is mij onbekend. Nog een laatste opmerking. Ik woonde in Boechout, dichtbij Antwerpen. Ik hou van geschiedenis. Net als Bart van Loo (De Bourgondiërs) heb ik ook de Historia boeken ’s Lands Glorie (tekeningen J. L. Huens / tekst J. Schoonjans) eindeloos doorgebladerd. Ik heb in Antwerpen geschiedenis gestudeerd en toch ben ik nog nooit in het Mayer van den Bergh museum geweest. Hoe kan dat? Ik heb geen antwoord. Het staat op mijn lijstje voor ná corona.

Laat ik eindigen met de laatste bladzijde uit het Suske en Wiske album. Waarin Wiske – anders dan gebruikelijk – de handen voor haar hoofd slaat. Oorlog … de waanzin, het blijft maar duren. Snik.

Suske en Wiske – De Dulle Griet – Willy Vandersteen – album 78

Bron citaten: Pieter Bruegel, de biografie – Leen Huet

In de serie: BEELDENDE KUNST